Suus

Ik moest met de kat naar de dierenarts. Ze was op een leeftijd gekomen dat de buurtkaters grauwend door onze achtertuin slopen waarbij ze de sporen van hun aanwezigheid ruimhartig tegen het tuinmeubilair klaterden. Het werd tijd om in te grijpen.

Ik plukte Suus uit een zonnige vensterbank en schoof haar in een gammel bananenbladmandje waarvan ik het kapotte deurtje met een paperclip sloot. Suus besnuffelde de mand met aandacht.

Even later worstelde ik mij door de draaideur bij de dierenarts. Een idiote entree waar een beetje hond nauwelijks door paste en de kans liep dolgedraaid tussen het glas te blijven hangen. In de receptie hing een scherpe lucht van desinfecteermiddelen. Suus rook vooral onraad en begon te jammeren.

Laf wilde ik haar meteen aan de assistente overhandigen, zodat ik later tegen Suus zou kunnen volhouden dat ik met het hele gebeuren niets te maken had gehad. Maar dat was niet de bedoeling. “Kom zeg, je kind laat je toch zeker ook niet huilend bij de dokter achter?”, zei de assistente verontwaardigd.  Ik moest plaatsnemen tot de dierenarts mij zou roepen en dan zou ik op gepaste wijze afscheid kunnen nemen zodat een kattentrauma tot een minimum beperkt zou blijven.

Dus zaten we noodgedwongen op een koud draadstalen stoeltje naar de Sultans of Swing te luisteren. Blijkbaar was de dierenarts een Dire Straits adept, want eerder was ik telefonisch ook op de Sultans getrakteerd. Persoonlijk zou ik Cat Stevens “I love my dog’’, hebben gekozen om dierenliefhebbers muzikaal te folteren.

Er ging een telefoon. Een mevrouw vroeg zich af of het ernstig was dat haar kat al dagen niet plaste. Heel ernstig, meende de assistente. Mevrouw moest meteen maar even langs komen. Maar nee, de vrouw moest naar haar werk, de kat hield het nog wel even op. Of het morgen schikte?

Er kwam een man in een windjack binnen. In een  stalen kooi viel een spugende kat het traliewerk aan.  “Ze is wat wild”, verduidelijkte de man . “Ze loopt al dagen met een wond aan haar poot bij mijn werk rond. Het is me eindelijk gelukt haar te vangen.”

Een deur rechts van mij ging open. Suus en ik werden verwacht. De man met de spugende kat werd een deur verder binnengeroepen. Ik kreeg een ferme hand van de dierenarts. Zo’n hand die met een kneepje zei: u kunt mij volledig vertrouwen. Maar de toon verried iets anders. In de toon lag minachting verpakt in een infantiele dreun.

“Zo dus we hebben de kat nooit laten inenten? Dat vonden we blijkbaar niet nodig?” Als een poes die met haar prooi speelt, deelde de arts tikken uit. “Gebruiken we een vlooienmiddel?  (tik)  Ik prevelde een middel dat me maandelijks naar financiële adem doet snakken. “Vreemd! Doen we het wel volgens de instructies!” (tiktik) “En dan denken we niet laat ik de hulp van de dierenarts maar eens inroepen?” (knal)

“Sorry”,  zei ik maar.  Ik ben volledig ongeschikt in het pareren van de infantiele benadering. Blijkbaar beviel mijn overgave want de toon trok zich terug en er kwam een moederlijk exemplaar tevoorschijn.  “Nou dan zullen we maar eens  kijken hoe we u een handje kunnen helpen.”

Nadat de ferme handen op verschillende plekken in haar zachte lijfje hadden geknepen, ging Suus terug in de mand en legde de arts uit aan welke gevaren ik de kat blootstelde. Hoewel ik van haar moest aannemen dat de kans gering was, kon Suus, theoretisch gezien dan hè, niet meer uit haar narcose wakker worden. Ze kon braken.  Ze kon ook braken en dan doodgaan. “Maar daar gaan we allemaal maar niet vanuit”, zei de toon nu opgewekt.

In de kamer naast mij klonk plotseling een enorm gekrijs dat door de poriën van de muur werd gestuwd. Zelfs de dierenarts was even van haar à propos. Toen werd het weer stil.

In mijn kamertje was de tijd inmiddels rijp om afscheid te nemen. Suus zou een roesje krijgen en het laatste wat dit bolletje zou zien voor ze in slaap sukkelde was mijn vertrouwde gezicht. Alleen….  Suus zat niet meer in de bananenbladmand. De paperclip lag als bewijs op de behandeltafel. Nadat ik de steriele kamer had uitgekamd, vond ik haar onder een grijze dossierkast.  Ik moest op mijn buik liggen om bij haar te komen. Hoe ik ook paaide, Suus verroerde zich niet. In mijn stem sloop nu de toon. “Kom Suus, vrouwtje moet werken, we hebben nu geen tijd voor spelletjes.”

Ik kon haar uiteindelijk bij een poot grijpen. In plaats van mijn vertrouwde gezicht, zag Suus, als ze gekeken zou hebben,  mijn rode verwrongen gezicht. Maar Suus keerde me de rug toe. Haar ogen waren tot spleetjes geknepen, háár toon was niet mis te verstaan: VER- RA- DER!

Op de gang botste ik bijna tegen de man van de wilde kat. Op zijn rug wapperde zijn windjack in flarden achter hem aan.  Een grote pleister op zijn wang liet zien waar de strijd het bloederigst was geweest. “In de draaideur op weg naar buiten golfde de frustratie er uit: “Dit doe ik dus nooit meer! Denk je zo’n kutbeest te helpen”, schreeuwde de man.

Categorieën:Leed & VermaakTags: , , ,

23 Comments

  1. jantien

    ach toch! arme Soesepoes.
    Kleine opmerkingetjes, dat de dierenarts een vrouw is kan je misschien eerder laten merken (in haar toon in plaats van de toon) maar wellicht heb je het expres gedaan om de lezer even op het verkeerde been te zetten.
    En de ‘hé’ moet ‘hè’ zijn, of misschien bedoel je wel een ‘hé’, ik las in ieder geval een ‘hè’. Hè? Nu snap ik het niet meer….😉

  2. Geweldig, die katten. Ze spelen gewoon met ons mensen! Die hooghartige blikken zeggen al genoeg. En dan maar doen alsof ze heel lief en onschuldig zijn haha.
    Hopelijk is Suus goed door de operatie heen gekomen en wordt het parfum op je tuinmeubilair minder😉
    Kostelijke post Anneke, ik heb weer genoten.
    ~Marion

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s