De dode voet

Doesburg – Hij rent de kamer binnen en blijft dan abrupt staan. Z’n vingertje gaat omhoog en hij wijst naar de vrouw. Gracieus heeft ze een been naar achteren gestrekt. Voorzichtig balancerend op één vilten voet staat ze daar, omkaderd, in het rood. “Ben bóng!”, zegt hij en wijst op het wandkleed.

Ik kan er niets griezeligs aan ontdekken, maar ik ben dan ook geen vier. Bóng, goed woord om angst uit te drukken. Krachtiger dan bang. Bóng is een statement. Tegen de vierjarige zeggen dat er niets is om bang voor te zijn, dat het een kunstwerk is, zou een zwaktebod zijn. De ratio van de volwassene legt het altijd af tegen de angst van een kleuter.

Ik kijk nog even naar de voet van de ballerina en moet ineens denken aan die andere voet. Die voet die meer dan veertig jaar geleden vastzat in de schoen van een vrouw. Een dode vrouw.

Stof

We logeerden bij mijn grootouders. Beneden in het werkhuis snorde de naaimachine waarop mijn opa, die kleermaker was, kostuums naaide. In zijn grijze verwassen stofjas en zijn eeuwige Bastos tussen zijn vergeelde vingers, liep hij rond met stukken donkere stof.  Omdat ik nergens mocht aankomen, zat ik op de grond en vergaarde schatten: driehoekige restjes stof en platte stukken krijt, de hoeken afgerond door het afstrepen op de stof.

Boven ons hoofd, in het woongedeelte, waren de volwassenen bezig met de voorbereiding van het middageten.

Het was fijn te weten dat er een verdieping zat tussen mij en de etage die mij grote angst inboezemde, de bóngfactor zeg maar: de slaapvertrekken op zolder.

De kleine kamer, die vooraan lag, was veruit het engst. Er stond een hoog donker bed. Boven het bed hing Jezus, genageld aan het kruis. En hoe zielig ik het ook vond voor het kindje Jezus daar jaar in jaar uit te moeten hangen zonder dat iemand hem los maakte, nog enger was het idee dat hij ‘s nachts zelf los zou komen, en dan, met zijn bebloede ledematen en al mijn bed in zou tuimelen.

Het kamertje lag pal onder het schuine dak. Om toch iets van bergruimte te hebben, was de wand afgezet met een schot.

Een klein deurtje gaf toegang tot de ruimte waarachter de soldatenschoenen van mijn vader en oom, netjes naast de afgedankte poppen van mijn tantes, stonden.

Hoewel het deurtje met een schuifje dicht zat, vertrouwde ik die poppen niet. Wat als ze met hun dode blikken ‘s nachts de schuif open deden en passant  Jezus van zijn kruis plukten? Ik was veruit in de minderheid.

De tweede kamer was groter en had als voordeel dat er meerdere bedden stonden, zodat ik er niet alleen hoefde te slapen. Mijn ouders, een oom of tante, er was altijd wel iemand die de volgende ochtend in het bed naast je lag.

Toch was ook deze kamer niet van gevaren gespeend. De kamer had een groot gordijn als afscheiding tussen het slaapgedeelte en het studeergedeelte. Dat was eng. Je wist immers nooit wie zich allemaal achter dat gordijn konden verstoppen. Het gordijn open laten was evenmin een optie, want door het linkerraam scheen oranje straatverlichting die de kamer in een vreemde gloed plaatste. Vanuit het raam rechts zag je de Heilig Hartkerk, en ik was bang voor dat grote gebouw.

Boven

We werden uiteindelijk naar boven geroepen om te eten. Na afloop zat iedereen aan tafel of op een van de zetels, naar televisie te kijken.

De ooms en tantes met hun eeuwige sigaretten in de mond, waardoor het een wonder was dat ze überhaupt het beeld konden ontwaren.

Ik speelde met de lapjes stof. Op het scherm, zag ik dwars door de sigarettenrook, had een dame het op een lopen gezet. Ineens struikelde ze. Ze besloot haar schoenen uit te doen om beter te kunnen lopen. Eén schoen had ze al uitgespeeld en de ander hield ze bij de hak vast, balancerend op één voet, zoals de ballarina van het kleed. Juist op dat moment kwam haar belager dichterbij en schoot haar dood. Stil bleef ze in het gras liggen, een schoen nog in haar hand.

IMG_6547

‘s Avonds mocht ik in de grote kamer slapen. Ik hield mijn ogen open gesperd en waakte. Verdachte bewegingen achter het gordijn zouden niet aan mijn aandacht ontsnappen, maar ik moet uiteindelijk in slaap gesukkeld zijn. Ik werd wakker van een geluid achter het gordijn. Voor zover ik kon zien, lag er niemand naast me. Het was dus aan mijzelf om me te verdedigen tegen wat het ook was dat me bedreigde. Liever dan het af te wachten, besloot ik tot de aanval te gaan en het gordijn opzij te rukken. En daar stond mijn nog thuiswonende tante, half ontkleed met de hiel van haar schoen in haar hand, precies zoals in de film. “Tante”,  fluisterde ik geschokt, gaan ze u ook al dood doen?

“Wablief”, zei mij tante die zich vermoedelijk wild geschrokken was, “Jij ook altijd met je rare ideeën, je moest al lang slapen! ”

Ik buig me voorover naar de vierjarige en fluister: “Waar ben je eigenlijk bóng voor? Ernstig kijkt hij naar de vilten mevrouw. “Dat ze gaat falluh”, zegt hij dan.

Categorieën:Doesburg, Leed & Vermaak, MijmeringTags: , , , , ,

12 Comments

  1. aldert1946

    Verhalen vertellen ligt je dus al en leven lang op de tong. Het zijn altijd wel verhalen waar ik mij in kan verliezen.
    Dank ook deze keer voor het heerlijke verhaal met het mooie slot.

  2. Gyula

    heerlijk verhaal weer Anneke.Ik begrijp je voorliefde voor “unheimische” plaatsen en situaties nu beter. bron van inspiratie dat grootouderlijk huis….

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s