De kibboets van Oz

Israël – Even was ik in kibboets Hulda. Het was vroeg in de morgen. Een uur of zes. Ergens speelde een vrouw op een fluit. Het was begin jaren vijftig.

In de eetzaal werd gediscussieerd, geruzied over politiek. Harde stemmen klonken steeds luider. De mannen, die straks met tractoren het land gingen bedwingen, verwarmden hun handen aan bekers hete koffie. Een jongen van een jaar of 15 liep de eetzaal in en bleef even op de drempel staan. Hij verwonderde zich iedere keer weer over het gekrakeel van de mannen. Mannen die in zijn ogen heel oud waren, al was de oudste nog geen vijftig. De jongen had altijd gedacht dat een kibboets in stilte gehuld ging, maar er was voortdurend geluid.   

De jongen was kort daarvoor het intellectuele milieu van zijn ouderlijk huis in Jeruzalem ontvlucht. Het ouderlijk huis waar vijftien talen werden gesproken allen met een Russisch accent. Niet dat hij één van die talen machtig was. Zijn ouders keken wel uit. Ze leerde hem uitsluitend Hebreeuws en als zijn ouders iets aan elkaar kwijt moesten dat niet voor hem bestemd was, dan deden ze dat in één van die andere veertien talen. Nee, het ging nooit over seks, of over de buurvrouw die vreemd ging, nee, als één van de andere talen werd gebruikt, fluisterden ze over de holocaust.

Ontbranden

Dat hij geen andere talen leerde, was volgens zijn ouders voor zijn eigen bestwil. De talen zouden hem verraden. Immers, andere talen zouden in hem een verlangen naar Europa kunnen doen ontbranden. Liefde voor Europa, zo wisten zijn ouders tot hun onbeschrijfelijke verdriet, werd met de dood bekocht.

Toen hij ouder werd begreep de jongen dat het juist het vasthouden aan die talen zijn ouders verraadde. In de jaren dertig, toen het begrip Europeaan nog geboren moest worden, de Polen nog een Pool waren, de Russen slechts een Rus, en de Litouwers een Litouwers, waren alleen de Joden kosmopoliet. Alleen zij spraken de verschillende talen van het continent, alleen zij lazen internationale boeken en woonden in de landen van Europa. 

J

Toen ze naar Israël kwamen, liet Europa hen niet los. Ze bouwden hun Europa in Jeruzalem. “Eens”, had zijn moeder hem bezworen, “zal Jeruzalem een echte stad zijn.” Hij had haar niet begrepen. Jeruzalem was toch al een stad?  Pas later begreep hij dat voor zijn moeder een stad slechts een stad was, als er een rivier door stroomde waarvan de oevers door stenen bruggen werden verbonden.

Zijn ouders droomden over Europa. Ze hielden hartstochtelijk van dit continent dat hun liefde nooit beantwoorden zou.

Hij was bijna 13 toen zijn moeder een einde aan haar leven maakte. Het zou vijf decennia duren voordat zijn woede was geluwd. Woede over een moeder die niet eens een briefje had achtergelaten. Zij, die van alle gezinsleden bij ieder uitstapje, hoe klein ook –de overkant van de straat was al ver – een verantwoording op papier eiste. Een berichtje diende duidelijk zichtbaar onder de bloemenvaas op tafel te worden gelegd om haar gerust te stellen. Uitgerekend zij liet geen briefje achter. Niets, geen enkele aanwijzing. Alsof ze er met een minnaar, van wie hij geen enkele weet had, vandoor was gegaan.

Woede

Er was woede om een vader, die kennelijk niet was wat hij leek want waarom anders zou hij haar niet tegen hebben gehouden? Maar bovenal was er woede naar zichzelf. Moeders, wist hij, hielden onvoorwaardelijk van hun kinderen. Blijkbaar was hij een zo’n slecht kind dat zijn moeder dood wilde.

En nu was hij hier in de kibboets waar de mannen ruzieden. Hij had gezworen nooit meer iets met boeken te maken willen hebben, maar nog voor zijn twintigste kroop het bloed waar het niet mocht gaan en schreef hij toch. Over eenzaamheid, over de strijd van die ene want daar viel altijd wat over te zeggen. Het was zoals Tolstoj schreef: “Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, maar alle ongelukkige gezinnen zijn elk op hun eigen wijze ongelukkig.”

De jongen zou uiteindelijk 25 jaar in de Kibboets blijven wonen. Het zou nog eens drieëndertig jaar duren voor hij er een boek over schreef en ik hem hoor spreken op het Haagse literatuurfestival Winternachten.

“Lezen”, zo hield hij, de schrijver Amos Oz, zijn publiek afgelopen zaterdag voor, “ is reizen. Je kunt als toerist naar Colombia gaan en er rond reizen, maar pas wanneer je Márquez leest, word je meegenomen naar plaatsen waar geen toerist komt. Wanneer anders mag je ooit, gezeten op de rand van hun bed, meeluisteren met de nachtelijke omhelzingen van een Colombiaans echtpaar?”

Even was ik in kibboets Hulda. Het was vroeg in de morgen. Een uur of zes. Ergens speelde een vrouw op een fluit. Het was begin jaren vijftig.

Het verhaal over de jeugd van Amos Oz is ontleend aan zijn gesprek met NRC journalist  Michiel Krielaars zaterdag 20 januari  tijdens Winternachten. 

Categorieën:IsraëlTags: , , , , , , , , , , , , , , , ,

5 Comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s